The Art Server

Het HISK neemt afscheid van Antwerpen

Met de tentoonstelling ‘Barrack’ neemt het HISK afscheid van Antwerpen, om zich in april 2007 in de Leopoldskazerne  van Gent te vestigen, vlakbij het SMAK. Precies tien jaar heeft het HISK het in de vervallen gebouwen van het militair hospitaal uitgehouden. De eerste tentoonstelling werd er geopend in februari 1997. Sindsdien waren er jaarlijks twee exposities, die in stijgende lijn de aandacht trokken van de kunstwereld. Vandaag is het helemaal niet ongebruikelijk dat je er curatoren ontmoet uit binnen- en buitenland, galeristen, kunstcritici en studenten uit diverse kunstdisciplines.
In die tien jaren heeft het HISK dus een reputatie weten opbouwen. Wat daar gebeurt is meestal het nader bekijken waard. Er valt iets te beleven. De jonge kunstenaars die er werken (in principe tot 35 jaar oud) zijn blijkbaar zorgvuldig geselecteerd uit een snel groeiend aantal gegadigden, en duidelijk ook goed begeleid door het zeer beperkte HISK-team en zijn vele gastdocenten.

Geen wonder dus, dat heel wat laureaten van het HISK reeds bekendheid hebben verworven in de wereld van de hedendaagse kunst. Onder hen fotografen als Arno Roncada, Wim Wauman, Charif Benhelima, Katleen Vermeir en Els Vanden Meersch, schilders als Vincent Geyskens, Tina Gillen, Koen van den Broek en Pieter Vermeersch, beeldhouwers als Caroline Coolen, Anton Cotteleer, Philip Metten en Nadia Naveau, installatiemakers als Loreta Visic, Stefaan Dheedene, Steven Van den Bosch, Wesley Meuris, Herman Van Ingelgem en Kris Vleeschouwer, videokunstenaars als Wim Catrysse en Koenraad Dedobbeleer, de computeranimatiekunstenaar Bart Stolle, een activist als Ives Maes, en een bizarre snuiter als geurmeester Peter De Cupere.

Een lange voorgeschiedenis

Dat is allemaal heel nieuw, want het HISK, opgericht in 1885, had er ruim een eeuw lang bitter weinig van terecht gebracht. Wat er ook in de kunstwereld gebeurde, Ensor, Magritte, Broodthaers of Panamarenko, het HISK hield beide ogen stijf gesloten, en bleef geloven dat het wel zou overwaaien.
Van 1885 tot 1994 was het HISK grotendeels een soort annex van de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten, geleid door dezelfde directeur, en begeleid door dezelfde leraars. Geen wonder dus, dat het niet meer was dan een haast vanzelfsprekende doorstroomstudie voor alle academiestudenten die met hun afstudeerproject de directeur en zijn juryleden hadden weten te behagen. Studenten uit andere kunstscholen hoorden daar eigenlijk niet thuis, en je zag er dan ook niet zoveel. Er was gewoon geen plaats voor hen, aangezien de academie vooral in eigen kweekvijver viste. Kwam er al eens een buitenlander terecht, dan kwam die meestal uit een of ander Oostblokland, of uit China. Die waren dus altijd zeer gedisciplineerd en vol ontzag voor de academische tradities, en ontvingen na drie jaar studie zonder mankeren hun zo begeerde getuigschrift. Andere buitenlanders, meer eigenzinnig of vrijgevochten, liepen er veel kans gebuisd te worden, zoals de Nederlander Piet Dirckx of de Israëlische Vered Ben-Kiki moesten ondervinden.

Het oude HISK was dus niet bepaald een open en onbevooroordeelde broedplaats voor jong talent. Contacten met de kunstwereld bestonden niet, en begeleiding was er evenmin. De jonge kunstenaar die er studeerde had slechts twee voordelen, namelijk een eigen atelier waar hij in olympische rust kon werken, en het studentschap op zich, met de daaruit voortvloeiende onbezorgdheid ten aanzien van de arbeidsmarkt.
De jury die de eindwerken kwam bekijken bestond uit een vijftiental bedaagde heren, waaronder uiteraard de nog in leven zijnde ere-directeurs. Niet één van hen had zich ooit verwaardigd, vooraf de ateliers te bezoeken en een gesprek te voeren.

Het HISK onafhankelijk

De van overheidswege opgedrongen ontkoppeling met de Antwerpse academie was dus het mooiste wat het HISK kon overkomen. Wat volgde was een moeizame boedelscheiding, die vanaf 1997 resulteerde in een volmaakte en veelbelovende autonomie.

Toch moet hier en passant gezegd worden dat de kunst ook bloeit in moeilijke  omstandigheden. Zo valt er een hele reeks kunstenaars op te sommen die het oude HISK succesvol beëindigden en naam maakten. Mijn lijstje is zeer onvolledig, maar ik noem toch even Marc Mendelson, Luc Peire, Fred Bervoets, Thé van Bergen, Luk Van Soom, Philip Aguirre, Karin Hanssen, Goele De Bruyn, Niels Donckers en zelfs de vandaag internationaal vermaarde David Claerbout.
 
In dit lijstje hoort nu ook Cindy Wright thuis, die in 1996 uit de Antwerpse academie kwam en pas na meerdere jaren van artistieke praktijk kandideerde voor het HISK, op het moment dat haar ontwikkeling al een bepaald élan genomen had. Als laureate 2006 is zij veruit de bekendste kunstenares van de tentoonstelling ‘Barrack’. Cindy Wright imponeert de kijker met twee imposante doeken die respectievelijk een stapeling vlees- en spekhompen en een dode muis laten zien. Twee werken die, tegenover elkaar gehangen, een morbide spanning genereren, en je zou haast verwachten dat ze plotseling met grote kracht naar elkaar toe komen, om je ter plekke te verpletteren.

 


 
Cindy Wright, 2006 (detail)

 

Cindy Wright beoogt duidelijk een fel emotioneel effect, maar bewaart tegelijkertijd een koele, analytische distantie.  Stilistisch schildert ze fotografisch exact, maar met het vooral in Amerika zeer geliefde hyperrealisme heeft ze weinig te maken. Haar werk blijft uiterst picturaal, dwz. ‘penseelmatig’, en hoe groter het formaat, hoe meer dat opvalt. Het is allemaal zeer trefzeker en rubensiaans geschilderd, terwijl de Amerikaanse hyperrealisten daarentegen een gladgepolijst oppervlak prefereren, waarin geen enkele persoonlijke toets te herkennen valt. Inmiddels geniet Cindy Wright in het ons bevriende Amerika al ruime erkenning, met tentoonstellingen in Los Angeles en Las Vegas.

Via Cindy Wright komen we zo weer bij het HISK en de tentoonstelling van de laureaten van de lichting 2006 (welja, een soldatesk jargon is in het militair hospitaal niet misplaatst, en zal ook in de Gentse Leopoldskazerne nog van toepassing kunnen zijn.)
Het lijkt haast of militairen en kunstenaars een broederverbond hebben gesloten… Doch met dit verschil, dat in het militair hospitaal vooral soldaten terechtkwamen die de dienst niet aankonden, psychische problemen hadden, zowat artistieke neigingen misschien, etc, terwijl de Leopoldskazerne nog volop actief is als onderdeel van het strijdvaardige Belgisch Leger. Slechts ongeveer een derde van de kazerne wordt ter beschikking gesteld van de kunstbeoefening.
In de tekst van het HISK bij de tentoonstelling ‘Barrack’ wordt op deze militaire banden zelfs nader ingegaan: “De tentoonstelling vindt plaats in het zogenaamde IN/OUT-gebouw, waar ooit soldaten werden klaargestoomd voor de strijd. Manschappen betraden het gebouw aan de ene zijde in burgertenue, en verlieten het als beroepsmilitair aan de andere kant - gekapt, gedrild en in soldatenkledij. Het is verleidelijk om parallellen te ontdekken tussen de academie en de legerplaats, het atelier en het kampement, de kunstenaar en de vrijheidsstrijder, tussen kunst en oorlogsvoering. (Een verleiding waaraan ik graag weersta.) Hedendaagse kunstenaars die willen behoren tot de avant-garde - een term, ontleend aan militair jargon -, koesteren een compromisloze, strijdvaardige houding en hanteren militante artistieke strategieën.”

De andere exposanten in het HISK beoefenen als gebruikelijk zeer diverse disciplines. Eens te meer moeten de traditionele schilder- en beeldhouwkunst, die in het oude HISK zo hoog stonden aangeschreven, het veld ruimen en zich indekken voor fotografie, performance, installatie en video. Boeiende en minder boeiende werken, zoals altijd en overal.
Een kunstenaar uit Marokko, Mohand El Gholabzouri geheten, bouwde twee identieke kubusvormige volumes, het ene op ambachtelijke wijze naar de tradities van zijn land, het andere in grove snelbouwsteen, naar Belgische tradities. En vreemd genoeg zijn ze allebei even mooi (althans volgens mijn zeer bescheiden esthetische inzichten). In beide ruimten is een film te zien van een vergelijkbaar bouwproces. Een zeer ontwapenend werk. Ik wou dat ik wat meer over deze Mohand El Gholabzouri kon vertellen.

Een andere laureaat, Ruben Kindermans geheten, was mij al bekend van een vorig HISK-bezoek, waar ik hem in een video langs de wanden van een huiskamer zag bewegen, doch niet op vloerniveau – hij maakte katsgewijs gebruik van allerlei meubilair om zijn rondgang te voltooien.
In ‘Barrack’ heeft hij allerhande nooit geziene variaties met een bal, en wie dat niet grappig vindt, of desnoods ‘zen’, moet maar elders zijn plezier zoeken.
Kindermans stapelt binnenbanden van vrachtwagens op elkaar, schuift er een ladder bij van exact dezelfde hoogte, springt in het gat en verdwijnt zodoende geheel uit het zicht.

     

   
Ruben Kindermans, 2006


Zo heeft hij nog een hele reeks heel korte filmpjes, allemaal even sterk, en ik vermoed dus een strenge zelfkritiek. Zijn werk wekt bij mij associaties met Roman Signer, en dat is nu nét de kunstenaar die ik het hoogst waardeer en het liefst de hand zou drukken.

Er is nog veel meer te zien in de expo ‘Barrack’, zoals een film met vier schildpadden die op hun schild de poten van een tafel in balsahout torsen (want was het eik, Gaia zou protesteren), waardoor die tafel onzeker heen en weer beweegt en uiteindelijk in een hoek belandt (werk van Ruben Bellinkx), maar gezien het evidente gebrek aan samenwerking van de schildpadden stijgt zo’n werk niet uit boven het niveau van een overbodig (want voorspelbaar) wetenschappelijk experiment.

Reeds vooruitlopend op de nakende sloop van de gebouwen van het voormalige militair hospitaal heeft nog een andere laureaat alvast een hoge gleuf gemaakt in de buitenmuur, waardoor hij een enorm groot schilderij een flink eind naar buiten laat steken. Het ruw geschat 12m brede doek is veel te groot voor de tentoonstellingszalen, al zijn die op zich meer dan ruim genoeg. Eigenlijk is het een beetje jammer dat er op het doek zo weinig te zien valt, maar een kundig graffitiman zou daar snel kunnen aan verhelpen, en alvast het naar buiten stekende deel van het schilderij lijkt daar een uitnodiging toe te bevatten.

 


Nog heel wat andere jonge kunstenaars “deconstrueren en ontwrichten de constitutie van het kunstwerk”, aldus de folder van het HISK. Wat dat betekent mag Joost weten, maar zulk onzinnig taalgebruik is blijkbaar bon ton en wie weet zelfs verplicht in elke commentaar over hedendaagse kunst. Toch zou het mooi zijn, als men dit soort quatch eindelijk eens varen liet.

Een catalogus van deze tentoonstelling verschijnt in februari 2007. Als u hem wilt ontvangen, geef dan uw naam, adres en e-mail door aan artistiek directeur Hans Martens (hans.martens@hisk.edu) of aan zijn medewerkster Isabel Devriendt  (isabel.devriendt@hisk.edu). 


 

Categorie
 
Auteur
Paul Ilegems
Datum
06 december 2006

Deel via