The Art Server

Nieuwe kunst in Antwerpen 1958-1962: G 58 in het M HKA

Vanaf 10 februari 2012 loopt in het M(u)HKA een project gewijd aan de kunstenaarsbeweging G 58, in samenwerking met Jan Ceuleers en Ronny Van De Velde. De tentoonstelling heet ‘De Zoldermythe’ en is te zien op de kleinere bovenruimten, misschien wel de ‘zolder’ van het M(u)HKA, ongeveer zoals G 58 zich moest tevreden stellen met de zolder van het oude Antwerpse Hessenhuis. ‘De Zoldermythe’ is de eerste van een reeks van vijf retrospectieve tentoonstellingen, doorlopend tot in februari 2013 en alle gewijd aan G 58. Om het wat muffe kunsthistorische aspect wat op te fleuren wordt daarbij telkens een hedendaags kunstenaar uitgenodigd om een artistieke kanttekening te verzinnen. Zin Taylor, een in Brussel wonende Canadees, bijt de spits af en zal worden opgevolgd door Freek Wambacq vanaf 30 maart, Bart Stolle vanaf 23 mei, Nadia Naveau vanaf 14 september en Boy & Eric Stappaerts vanaf 6 december.

Middelheim
G 58 ontstond toen men in Antwerpen niet wou achterblijven bij de krachtige impulsen die uitgingen van de legendarische Expo ’58. Er was in die stad tot dan toe niet veel bijzonders gebeurd op het vlak van de hedendaagse kunst, en er was ook geen enkele ruimte beschikbaar waar kunstenaars hun zin konden doen. Het enige feit van verstrekkende betekenis was de opening van het Openluchtmuseum Middelheim in 1951, met daaraan gekoppeld een internationaal georiënteerde biënnale voor beeldhouwkunst. Het was een initiatief van burgemeester Lode Craeybeckx, die erom bekend stond dat hij de kunsten welgenegen was en die als eerste in deze stad besefte dat een goed doordacht artistiek beleid van grote betekenis is voor de culturele én economische uitstraling. Het was dan ook tot Craeybeckx dat de kunstenaars zich richtten, en met succes. Nog voor de zomer van 1958 kreeg de Groep ’58, kortweg G 58 en geschreven zonder streepje ertussen (wat toen het modernst was) het Middelheimkasteeltje tot zijn beschikking. Welllicht hoopte Craeybeckx hiermee in één klap zijn nog prille beeldenpark te promoten, waar dat jaar jammer genoeg geen biënnale gehouden werd.

Hessenhuis
Even leek het erop dat het Antwerpse kunstleven zich naar Wilrijk had verplaatst. Maar het Middelheimkasteeltje bleek al gauw niet toereikend om de grote ambities van G 58 te vervullen. De ruimte bood in technisch opzicht slechts beperkte mogelijkheden, was vrij klein en lag bovendien ver uit het centrum. Al in het najaar kwam Craeybeckx met een alternatief: hij kon de zolder van het Hessenhuis ter beschikking stellen, zo’n 100x10m groot en gelegen in de oude stadskern. Het 16de eeuwse gebouw deed dienst als stadsmagazijn en zat volgestouwd met reservestukken van de stadsmusea, honderden gipsen moulures van de kathedraal, tweehonderd schoolbanken en allerlei andere spullen. Een vijftiental kunstenaars en hun echtgenotes maakten hem leeg, een gebeurtenis die in de pers in heroïsche termen werd beschreven, en waarmee meteen de toon gezet was voor de idealistische en enthousiaste sfeer die G 58 zou kenmerken.

Kopie van G58 Mirakelen

Hedendaagse kunstenaars zouden de zolder van het Hessenhuis waarschijnlijk niet willen. Het is een vrij lage ruimte met weinig licht en weinig wandruimte, gedomineerd door de kolossale eiken balken van het open dakgebinte. Totaal ongeschikt voor kunst. Grotere schilderijen konden enkel vrij aan de balken worden opgehangen, sculpturen oogden nietig en stonden altijd wat verloren tussen opeenvolgende rijen eiken steunpilaren. Dan was de benedenruimte van het Hessenhuis, met hoog plafond en brede wanden eigenlijk veel geschikter, maar toen die in de jaren 1990 en 2000 gebruikt werd voor hedendaagse kunst, werd daar door curatoren en kunstenaars over geklaagd: moeilijke ruimte, te dominante ruimte, veel obstakels, slecht licht... 

In 1958 werd daar echter heel anders over gedacht. Het was de eerste keer dat kunstenaars beschikking kregen over een aanzienlijke ruimte waarin ze voluit konden gaan, en nadat ze er het stof der eeuwen hadden verwijderd bleek iedereen erop verliefd. “Een der mooiste ruimtes die de hedendaagse kunst zich als decorum kan dromen, een avant-garde expositiezaal, die iedere kunststad in West-Europa ons rustig kan benijden,” zo schreef Ivo Michiels eind 1958 in ‘Radio en tv week’, en hij vervolgde: “...hoe fraai moderne kunstwerken tot hun recht komen in een architectuur uit lang voorbije eeuwen. De Antwerpse kunstenaars hebben die spontane harmonie tussen vormen van gisteren en vormen van vandaag zeer goed begrepen en er de inrichting van hun expositie volkomen op afgestemd. Zij hebben de bestaande ruimte haar oorspronkelijk karakter laten behouden en door geen enkel architecturaal ingrijpen ook maar iets weggenomen van haar dwingende authenticiteit. Zoals de tentoonstelling thans is ingericht, heeft de sfeer bijna iets sacraals. Artistiek is dit het eerste grote winstpunt van de Hessenhuis-expositie.”
In vier jaren tijds zou er onvoorstelbaar veel op die zolder georganiseerd worden: grote en kleine tentoonstellingen, filmavonden, jazzconcerten, toneelvoorstellingen, poëzieavonden, lezingen en zo meer.

Abstracte kunst
Van bij de aanvang sloten tientallen Antwerpse kunstenaars zich bij G 58 aan. Er waren figuren bij die vlak na de oorlog nog bij Jeune peinture belge hadden gediend, andere die het materieschilderen aanhingen of de art brut. Je had er die opgingen in het oosten, halve zenmeesters met een hang naar Chinese inkt en calligrafie, en geometrisch abstracten in de lijn van De Stijl en het constructivisme. Maar over één ding was iedereen het eens: in het Hessenhuis zou de abstractie zegevieren. Wie figuratief werk maakte kwam er niet in. De Latemse school en haar verlate aanhangers behoorden voor G 58 definitief tot het verleden. 

Voorzitter Marc Callewaert deed wat hij kon om zijn heterogene kunstenaarsvereniging radicaal op de toekomst te richten en omarmde zeer vernieuwende tendensen als de kinetische kunst, de Duitse Zero-groep, de Nederlandse Nulgroep en het Nouveau réalisme. Om de groep bij elkaar te houden en iedereen tevreden te stellen organiseerde hij jaarlijks een grote groepstentoonstelling waar half Antwerpen aan meedeed, naast een prestigieuze internationale tentoonstelling rond een actueel thema, te beginnen met Vision in Motion in 1959, gewijd aan de kinetische kunst.

Een en ander verliep niet zonder slag of stoot. De kranten negeerden G 58 of schreven negatieve commentaren. Eigenlijk schreef alleen Marc Callewaert zelf, voltijds journalist bij Gazet van Antwerpen, uitvoerige en lovende artikels, en dit onder tegenwerking van de eigen redactie. Ook financieel ging het G 58 niet voor de wind. Er kwam een startgeld van de stad en een eenmalige, zeer bescheiden subsidie van de staat, en daar bleef het bij. G 58 slaagde er niet in, de hoognodige fondsen te werven. De voornaamste reden was dat subsidies van staat en provincie, alsook de sponsoring door grote bedrijven, de haven en de banken, quasi integraal werden opgeslokt door het Comité voor Artistieke Werking, een tentoonstellingsorganisatie op de Meir die overal de beste connecties had en de figuratieve kunst nog zeer genegen was.

Vergeleken bij het C.A.W. was G 58 een financieel kabouter die machteloos toekeek hoe die organisatie jaar na jaar grote sier maakte in de stadsfeestzaal, met recettes van om en bij het miljoen Bfr, terwijl G 58 niet eens een bar mocht openen in het Hessenhuis, niet eens een sigaret mocht opsteken zelfs - een voorschrift van de brandweer dat iedereen aan zijn laars lapte. Eén keer overwoog G 58 om net als het C.A.W. een groot bal te organiseren, wat door Marc Callewaert bijtijds werd afgeserveerd. Men was dus maar blij met het lidgeld van de vele aangesloten kunstenaars en met de bijeengeronselde advertenties van antikwariaat Ulysses van Walter Zoilé aan de St-Katelijnevest, de jazzplatenwinkel van Walter De Bock op de Belgiëlei en het interieurwinkeltje Ravenna in de Nieuwe Gaanderij Wilde Zee. In de brochures van het C.A.W. adverteerde het bouwbedrijf Amelinkx, toen druk in de weer met in stad en rand oude panden te slopen om opvallend kleinburgerlijk ogende flatgebouwen in de plaats te zetten. Meer dan eens moest burgemeester Craeybeckx zich ontfermen over onbetaalde gas- en electriciteitsrekeningen van het Hessenhuis, die hij stoemelings doorschoof naar andere begrotingsposten.

Troost was dan weer dat John Trouillard, big shot tentoonstellingsmaker bij het C.A.W., had gehengeld naar het voorzitterschap van G 58. Trouillard had ingezien dat er bij G 58 interessantere mogelijkheden lagen dan bij het altijd wat ouderwets en bourgeois gebleven C.A.W., waarvan hij zich kort daarop zou distanciëren om een eigen galerie te openen die Ad libitum heette en net als G 58 kunstenaars aantrok uit de Zero-groep, de Nul-beweging en het Nouveau réalisme. En door hun werk te verkopen wist hij er een stevige greep op te krijgen, zodat in 1962 figuren als Günter Uecker, Heinz Mack en Otto Piene aan G 58 lieten weten dat ze toestemming van Trouillard nodig hadden eer ze konden meedoen aan een tentoonstelling in het Hessenhuis - toestemming die Trouillard niet gaf. 

De zoldermythe
De eerste tentoonstelling in het M(u)HKA concentreert zich op de G 58-leden van het eerste uur en toont van elk van hen één werk - uit 1958. De jongste exposanten waren toen Cel Overberghe en Wim (Wannes) Van de Velde, mede-oprichters van G 58 en vooraan in de twintig, terwijl alle andere leden prille dertigers waren. Maar hoewel ouder, had geen van hen op dat ogenblik zijn stijl al gevonden. Het werk van figuren als Walter Leblanc, Paul Van Hoeydonck, Pol Mara, Jef Verheyen, Vic Gentils en Jan Dries is anno 1958 nog a-typisch en heeft weinig gemeen met het werk waar ze later naam mee zouden maken. Maar dankzij de dynamiek die G 58 creëerde kwamen ze in nauw contact met de Zero-beweging, de Nul-groep en het Nouveau réalisme, wat hun artistieke denken snel zou transformeren. Zo wordt nog maar eens onderstreept hoe groot het gewicht was van deze jaren, als scharnierpunt in de evolutie van de hedendaagse kunst. Vooral Paul Van Hoeydonck verrast met een imposant geometrisch werk (rechts op onderstaande foto, muhka/pers), een kleurig patroon van vierhoekige sjablonen dat het zaaltje domineert en niet vooruitloopt op de kitsch van witte kinder- en astronautenpoppen die hij kort daarop in overvloed zou produceren. 


  Zaalzicht Muhka 2012-2

Er vallen in deze zeer bescheiden opgezette tentoonstelling nog gefilmde interviews te beluisteren met Lode Craeybeckx en toenmalig ministerieel kunstpaus Emile Langui. Maar wat het meest beklijft is een ingekorte en dialoogloze versie van Meeuwen sterven in de haven, een existentialistisch sprookje dat zoals dat hoort slecht afloopt. De film werd in 1955 gerealiseerd door debuterend regisseur Roland Verhavert en debuterend scenarist Ivo Michiels, die beiden ook als debuterende acteurs optreden aan de zijde van debuterend hoofdrolspeler Julien Schoenaerts. 

Kopie van Meeuwen sterven in de haven1 (1955)
Meeuwen sterven in de haven: Julien Schoenaerts nadert een frietkot
(met dank aan M HKA-fotografe Christine Clinckx) 


De tentoonstelling 'De zoldermythe' met werk van Bert De Leeuw, Herman Denkens, Jan Dries, Vic Gentils, Walter Leblanc, Pol Mara, Cel Overberghe, Frank Filippi, Jan Strijbosch, Filip Tas, Paul Van Hoeydonck, Dan Van Severen, Jen Verheyen en ere-leden G 58 René Guiette en Jozef Peeters loopt nog tot 18 maart 2012 in het M HKA.


Categorie
Beeldende Kunst
Auteur
Paul ILEGEMS
Datum
10 februari 2012

Deel via