The Art Server

 
Expo Casino

‘La ligne de vie’,of over het portret van de werkelijkheid

Van Biervliet Een inleiding tot het werk van Paul Van Biervliet

‘Weißt du’s noch nicht? Wirf aus den Armen die Leere
zu den Räumen hinzu, die wir atmen; vielleicht daß die Vögel
die erweiterte Luft fühlen mit innigerm Flug.’

Rainer Maria Rilke, Duineser Elegien (1)


Stel je voor: desolate landschappen in voornamelijk grijswaarden, die hoofdzakelijk bestaan uit fragmenten van gebouwen en industriële sites, of uit natuurgezichten. Elke menselijke gedaante ontbreekt, maar wordt gesuggereerd, vermoed, als betrof het iets dat niet zichtbaar maar wel onderhuids aanwezig is via haar talloze ingrepen in de natuur en systemen van beschaving. Dit is de algemene adem in het werk van Paul Van Biervliet, waar de kunstenaar op een sobere, vaak ingehouden of ‘dreigende’ manier speelt met een ‘verschuiving’ van de rondom ons aangetroffen werkelijkheid in de richting van beeld en vorm. (2) Want de afgebeelde werkelijkheid wijzigt zich al naargelang de door de kunstenaar gestuurde keuze voor beeld, compositie, vorm en kleur; ook al ‘beperkt’ die kleur zich tot voornamelijk tonaliteiten die variëren tussen wit en grijs, tussen grijs en zwart.

Datgene wat we – met een grote en beladen term – vandaag bestempelen als ‘het mysterie’ ligt voor Van Biervliet besloten, verankerd in het alledaagse, in de ons omringende, bijna banale, werkelijkheid, waar we elke dag in of aan voorbij wandelen, en al dan niet mee geconfronteerd worden. Het is daarom dat de schilder graag met de illusie speelt dat de kijker dwars door het met pigment bedekte oppervlak naar de realiteit kijkt. Alsof de verf een middel is om de werkelijkheid te spiegelen. Alsof de dagelijksheid die we niet meer opmerken enkel een bestaan en leven kan krijgen via het medium van doek en verf, die haar opmerken, eruit lichten en waarde geven. Hij schildert een eerbetoon aan de grauwheid ervan.

Het verlangen van het beeld
Weg van maar via het fotografische is er een plek voor de schilderkunst. Het schilderij is een middel om de werkelijkheid niet alleen weer te geven, te representeren en te interpreteren, maar ook aan de hand van een gezichtspunt, een beeld te conserveren. Die conservatie geschiedt bij Paul Van Biervliet vrij afstandelijk, soms bijna zakelijk, op een strenge manier die sporen van het fotografenduo Hilla en Bernd Becher verraadt: we zien een registratie van industriële en architectonische onderwerpen en gebouwen, geshoot bij ietwat grijzig betrokken weer; uitbundig zonlicht wordt geweerd. Die weergegeven waarneming is zo ‘onpersoonlijk’ mogelijk gehouden – om o, paradox, daardoor een zeer persoonlijke stem te doen ontstaan. Het credo van De Bechers luidde: de ‘nieuwe zakelijkheid’. Dat stelde hen in staat om, zonder de concreetheid van het beeld uit het oog te verliezen, een zo verregaand mogelijke abstrahering door te voeren in een haast seriële monotonie, zonder anekdotisch te worden. De leesbaarheid van de beeldcreatie bleef van onmisbaar belang. 

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de schilderkunstige carrière van Paul Van Biervliet begon met het maken van abstracte en minimalistische werken. Maar het minimalisme en de daad van het non-beeld wekten, via de lichtstructuren in het werk, het verlangen van en naar het figuratieve beeld op – meestal geschiedt het omgekeerd en evolueren schilders doorheen de tijd van figuratie naar abstracte vorm- en beeldelementen. 

Het startschot is gegeven, de figuratie wordt geboren en krijgt ‘vrij’ spel in het kader van een realistische toon, waarbij de werkelijkheid nooit echt wordt gemanipuleerd maar wordt getoond zoals het oog ze kan waarnemen. Hoewel, ook al blijven de motieven geankerd in de herkenbaarheid, de schilder zal de weg van de abstractie nooit helemaal verlaten. Door zijn onderwerp te fragmenteren en vanuit een zeer eigenzinnig gezichtspunt en perspectief gestalte op het doek te geven, laveert hij voortaan en in feite tussen beide. Hij gaat na tot op welk punt een figuratie figuratie blijft en vanaf welk ogenblik die figuratie zou kunnen opgaan in een abstract vlak en/of vormenspel. Het zichtbare consequent wordt vaak herleid tot vlakken en lijnen, maar verdwijnt nooit uit het beeldoppervlak. Het blijft steeds, de ene keer al explicieter dan de andere keer, refereren aan elementen uit de visuele en herkenbare realiteit. De motieven van de voorstelling zullen de vorm van het beeld nooit verdringen, noch wegduwen of overheersen.

‘Een ding vormgeven, dat betekent: elke plek aangeraakt hebben, niets over het hoofd gezien hebben, nergens bedrogen hebben; al die honderden profielen kennen, alle bovenaanzichten en onderaanzichten, alle elkaar snijdende lijnen. Pas dan ontstaat een werk, pas dan is het een eiland, overal losgemaakt van het continent van het onzekere’, aldus Rilke in een voordracht over ‘Dingen’ in 1907. (3)

Lichtende leegte
De lucht, de ‘leegte’, nemen een even belangrijke plaats in als het motief waaruit het beschilderde en gefigureerde oppervlak bestaat. Vaak hangt er een vreemd licht in die lucht. Wolken zijn niet te onderscheiden, blauw verschijnt er nooit. Verschillende sferen worden gecreëerd al naargelang de lichtinval en als er een kleur opduikt, dan gebeurt dit in functie van de lichtwaarde. Nu eens wordt het licht vanachter een gebouw gesuggereerd, dan weer is er een onvermijdelijke ‘clair de lune’ van tussen het bomenbladerdak aanwezig, of verraadt het hemelvlak sporen van een late zonsondergang. Of wordt het licht gewoonweg benadrukt door eenvoudigweg een lichtreclame als ‘stilleven’ te schilderen. En op die manier de stad en het onlosmakelijke maar onzichtbare, ermee verbonden, beweeglijke leven te evoceren.
Paul Van Biervliet hanteert verschillende lichteffecten zonder het licht direct te tonen en door het van op onverwachtse plekken te suggereren. Opvallend is dat bijvoorbeeld de picturaal vormgegeven lampen, die zowel in sommige van zijn schilderijen als in zijn tekeningen opduiken, ludiekweg, nooit zelf een lichtbron vormen. Ze bevatten over het algemeen zelfs geen lamp. Het licht komt van een andere plek dan deze lichtbron. Zelfs het venster fungeert niet als doorkijk, maar slechts als middel om een inkijk op het licht te geven dat zich erachter bevindt.
Zijn meest donkere werken vertonen nog steeds tekenen van licht, en zijn nooit volledig duister of zwart. Ergens schuilt er altijd wel een lichtpunt of een ‘doorkijk’ als houvast voor de blik.

Kadrering
Een beeld kadreren betekent niet alleen dat de kunstenaar het viezer onthult van waaruit hij het werk bepaalt en doet ontstaan, maar ook op welke manier het werk wordt ingelijst. Het kader dient dan om het beeld af te bakenen, het als een afgewerkt product de buitenwereld in te sturen. Ook dit gegeven komt als een ‘constante’ aan bod bij Paul Van Biervliet, die om het te benadrukken soms letterlijk kaders in zijn werk integreert. Het is de verf die het werk inlijst, en niet een of andere houten of vergulde lijst. Soms verdraagt het beeld geen kader – noch geschilderd, noch ingelijst – en vloeit het schilderij aflopend uit in de ruimte waar het zich bevindt.
Zijn schilderijen zijn nooit wulps of onberedeneerd in geest en materiaal. Vaak ontwaren we een onberispelijk oppervlak, waar de verf nooit uitbundige uitspattingen toelaat maar slechts hier en daar, minutieus uitloopt en naar beneden druipt. De hand van de schilder is niet ostentatief en wild aanwezig. 

Dit is werk waarin de toeschouwer het isolement hervindt, de gejaagdheid van leven en gedachten achterlaat, en de stilte van de wereld hoort. Of: ‘Terwijl ik dat uitspreek (hoort u wel) ontstaat er een stilte; de stilte die om de dingen is. Alle beweging gaat liggen, wordt tot contour, en uit voorbije en toekomstige tijden ontstaat iets duurzaams: de ruimte, het grote tot rust komen van de tot niets gedwongen dingen.’ (4)


Noten:
(1) Rainer Maria Rilke, Duineser Elegien, IJzer, Utrecht/Atze van Wieren, 2006, p. 26
(2) Wassily Kandinsky, Spiritualiteit en abstractie in de kunst, Drempelreeks, Christofoor Uitgeverij, 1993
(3) Rainer Maria Rilke, Auguste Rodin, SUN, Nijmegen, 1990, p. 79
(4) Rainer Maria Rilke, Auguste Rodin, SUN, Nijmegen, 1990, p. 71

Categorie
Beeldende Kunst
Auteur
Inge Braeckman
Datum
16 april 2012

Deel via